Als er één historische gebeurtenis is waar Rwanda bekend om staat in de wereld dan is het waarschijnlijk wel de massale genocide die (eigenlijk nog maar kort geleden) in het hele land plaats vond. De massale volkerenmoord startte op 7 april 1994 en eindigde op 18 juli van datzelfde jaar. Naar schatting werden er in 100 dagen circa 800.000 mensen vermoord. Hoe kon het zover komen dat zo’n grote groep mensen in zo’n korte periode massaal uitgemoord werd?

De oorsprong van de Hutu’s en de Tutsi’s

Wie wil weten wat de oorzaak is van de genocide moet ver terug in de geschiedenis van Rwanda. Sinds ongeveer de 7e eeuw waren de Hutu’s de bewoners van Rwanda (en ook het naastgelegen Burundi). Ze leefden voornamelijk leefde van de landbouw. Rond de 15e eeuw besloot een nieuw volk zich echter ook te vestigen in deze regionen. Zij noemden zichzelf Tutsi’s en stonden bekend als krijgers en een herdervolk.

De Tutsi’s wisten invloed te krijgen door bestaande landeigenaren in Rwanda over te halen om zichzelf ook als Tutsi te gaan bestempelen. In die tijd kon een Hutu dus ook nog Tutsi worden. Dit was bijvoorbeeld mogelijk als je maar genoeg land of vee had. Een Hutu kon ook rustig met een Tutsi trouwen wat er voor zorgde dat de twee volkeren eigenlijk langzamerhand in elkaar opgingen.

Dit veranderde toen Duitsland het land binnenviel eind 19e eeuw. Zij waren ook in hun eigenlijk land erg bezig met het indelen van bevolkingsgroepen op ras en om die reden besloten ze dit ook in te gaan voeren in Rwanda. Zij maakten op basis van uiterlijke kenmerken het onderscheid tussen Tutsi’s en Hutu’s. De Tutsi’s waren volgens de Duitser lang, met een hoog voorhoofd, lange smalle armen en handen en een dunne neus. De Hutu daarentegen was volgens de Duitsers kleiner, met dikke lippen en een brede, wat platte neus. In het algemeen werden de Tutsi’s door de Duitsers beschouwt als het ‘betere’ volk,

Nadat de Duitsers in 1916 verdreven werden door de Belgen veranderde er weinig in de situatie voor de Hutu’s en de Tutsi’s. De Belgen besloten echter niet langer op basis van uiterlijke kenmerken het volk te verdelen in Hutu of Tutsi, maar op basis van de hoeveelheid vee. Had iemand meer dan 10 stuks vee dan was het een Tutsi, had hij minder dan 10 stuks vee dan was het een Hutu.

In de jaren die volgden bleef deze verhouding bestaan en het waren ook de Tutsi’s die het vooral voor het zeggen hadden in Rwanda, hoewel zij ver in de minderheid waren. Hutu’s hadden minder rechten en werden onderdrukt door de Tutsi’s. Eind jaren 50 leiden een groep goed opgeleide Hutu’s een opstand in die het einde zou gaan betekenen van het koningshuis in Rwanda. Nadat België in 1962 ook was vertrokken uit Rwanda volgde er een roerige periode waarin veel Tutsi’s vermoord werden en ook vluchten naar buurlanden Zaïre en Burundi. De Hutu’s hadden ondertussen de macht overgenomen, maar dit zorgde er niet meteen voor dat het rustig werd in het land, want ook tussen de Hutu’s zelf was veel onderlinge rivaliteit.

Habyarimana als president van Rwanda

In 1973 werd een staatsgreep gepleegd door Juvénal Habyarimana. Hij kroonde zichzelf tot president van het land en maakt zich populair door een einde aan de discriminatie in het land te maken. Dit betekende echter niet dat er geen verschillen meer waren in het land en dit werd ook pijnlijk duidelijk toen het land eind jaren 80 in een economische crises terecht kwam. Habyarimana was vooral goed voor Hutu’s die, net als hij, uit het noorden van Rwanda kwamen. Dit zorgde voor onvrede bij Hutu’s uit andere delen van het land. Dit feit, samen met de economische crises, zorgde er uiteindelijk voor dat de situatie escaleerde in 1994.

Anti-Tutsi propaganda

Al voordat Habyarimana aan de macht kwam was er een beweging gaande dat Tutsi’s steeds meer werden neergezet als indringers die niet thuis hoorden in Rwanda. De basis hiervoor werd gelegd in 1959 met het vaststellen van een Hutu-manifest waarin beschreven werd hoe de Tutsi’s de Hutu’s hadden onderworpen. In de jaren ’90 werd dit nog verder uitgebreid met de ‘Hutu tien geboden’ waarin onder andere stond dat iedere Hutu die trouwde of vriendschap sloot met een Tutsi een verrader was. De andere regels hadden een soortgelijke strekking: Tutsi’s waren slecht, onbetrouwbaar en waren alleen goed voor andere Tutsi’s terwijl de Hutu’s alle belangrijke posities in het land dienden in te nemen. Het niet opvolgen van één van de geboden maakte een Hutu eigenlijk automatisch tot een verrader.

Deze tien geboden werden in het leven geroepen om Hutu’s er van te overtuigen dat Tutsi’s slecht waren. Bij diverse toespraken van extremisten werd in deze tijd ook al geroepen dat Tutsi’s niet alleen slecht waren, maar volledig uitgeroeid dienden te worden.
Ook de regering werkte hier aan mee door verhalen de wereld in te brengen dat er slachtpartijen onder Hutu’s hadden plaatsgevonden, aangericht door de Tutsi’s. Uit later onderzoek bleek dat deze berichten hoogstwaarschijnlijk verzonnen waren.

In 1993 worden veel Hutu’s verder opgehitst tegen de Tutsi’s door de radiozender Radio Télévision Libre des Mille Collines (RTLM). Deze zender werd opgericht door de extremistische partij CDR en de luisteraars werd verteld dat de Tutsi de vijand was en niet meer dan de dood verdiende. Een veelgebruikte tactiek was dat de RTLM op de radio vertelde dat de Tutsi’s de Hutu’s wilden vermoorden en dat de Hutu’s dit moesten voorkomen. Dit waren boodschappen die eerder al op de nationale Radio Rwanda te horen waren geweest, maar de RTLM verkondigde dit nog veel agressiever en intensiever. Doordat de radio het enige vorm van contact was voor veel Rwandezen wisten zij niet beter dan dat wat op de radio verteld werd, de waarheid was.

Voorafgaand aan de genocide

Kort voor de genocide was duidelijk dat het land verdeeld was en er waren eigenlijk vier partijen verwikkeld in een machtsstrijd.

  • De RPF (Rwandees Patriottisch Front), wat bestond uit Tutsi’s en gematigde Hutu’s. Veel van de Tutsi’s waren in de jaren ’60 gevlucht uit Rwanda naar Uganda. Hun kinderen richten vervolgens de RPF op. De huidige president Paul Kagame is lid van de RPF.
  • De Hutu extremisten die werden gesteund door het leger en de Interahamwe (een militie van Hutu’s) en andere jeugdmilities.
  • De UNAMIR (United Nations Assistance Mission for Rwanda), een mandaat voortgekomen uit een CIA-rapport waarin vermeld stond dat Rwanda grootschalig wapens en handgraten inkocht. De UNAMIR bestond uit 2548 manschappen van verschillende nationaliteiten, geformeerd door de VN. Als doel hadden zij vredeshandhaving, de wapenstilstand bewaken en incidenten rapporteren.
  • Gematigde Hutu’s onder leiding van premier Uwilingiyimana en gesteund door de UNAMIR.

De president Habyarimana had in die tijd al veel van zijn macht verloren doordat het land verscheurd was door de verschillende bevolkingsgroepen en daarnaast grote armoede en een economische crises. De RPF had in 1990 al geprobeerd om Rwanda binnen te vallen en de macht over te nemen van Habyarimana, maar destijds werd deze aanval nog afgeslagen door Habyarimana, met behulp van het Belgische en Franse leger. Als tegenzet liet Habyarimana in die tijd al veel Tutsi’s vermoorden die hij als een bedreiging zag. Er werden in die tijd ook lijsten opgesteld van Tutsi’s die welvarend waren, Tutsi’s die hoogopgeleid waren en Tutsi’s die veel contacten in het buitenland hadden. Daarnaast werd een lijst van Hutu’s aangelegd die goede contacten onderhielden met Tutsi’s.

Aan beide kanten werden in de loop der jaren moorden gepleegd en onder druk van de internationale gemeenschap werd er door Habyarimana en de RPF onderhandeld over een wapenstilstand. Habyarimana werd daarbij wel verdacht van moorden met een georganiseerd karakter maar hij bleef dit ontkennen. In 1993 kwam het in Arusha tot een akkoord waarbij werd vastgesteld dat er een staakt het vuren zou komen en dat er een overgangsregering geïnstalleerd werd. De functie van president Habyarimana bleef puur ceremonieel.

De installatie van de overgangsregering werd gepland voor 5 januari 1994, maar toen het zover was gebeurde er eigenlijk niets omdat de belangrijkste overgangspartij MDR door onderlinge meningsverschillen uit elkaar viel. Hierdoor ging het oude kabinet eigenlijk verder met regeren en bleven grote veranderingen uit.

Start van de genocide

Op 6 april 1994 wordt het vliegtuig, met daarin president Habyarimana en ook de president van Burundi, neergeschoten in de buurt van Kigali. Beide presidenten komen om het leven en het blijkt de aanleiding voor een golf van geweld, hoewel onduidelijk was wie er precies achter de aanslag zat. De Hutu’s geven in ieder geval de Tutsi’s de schuld en zien dit als aanleiding om een massale slachtpartij te ontketenen. Hoewel hard bewijs ontbreekt, is men in de jaren na de genocide door middel van diverse onderzoeken en ondervragingen van getuigen, tot de conclusie gekomen dat waarschijnlijk een groep Hutu-extremisten achter de aanslag zou zitten.

Direct na de aanslag werd echter de conclusie getrokken dat de Tutsi’s de daders waren en rondom Kigali werden meteen na de aanslag barricades opgeworpen. Meteen startten toen de eerste moordpartijen waarbij Tutsi’s en gematigde Hutu’s op geweldadige wijze uit de weg geruimd werden. Diverse posten in de regering werden ingenomen door extremistische Hutu’s en de leiding kwam in handen van kolonel Theoneste Bagosora. Door deze bliksemsnelle handelingen, i.c.m. de haatdragende radioboodschappen richting de Tutsi’s, wordt over het algemeen aangenomen dat de extremistische Hutu’s al langere periode bezig waren met de voorbereidingen voor een genocide.

Vanaf 7 april werden via de radio boodschappen uitgezonden waarin werd gerefereerd aan de eerdere boodschappen over Tutsi’s en werd de mensen duidelijk gemaakt dat de Tutsi’s nu echt uit de weg geruimd moesten worden. Dit ging zelfs zover dat mensen met hun naam en adres werden omgeroepen op de radio met de boodschap dat ze vermoord dienden te worden. Ook veelgebruikte ontsnappingsroutes werden via de radio bekend gemaakt waardoor de Tutsi’s vaak als ratten in de val zaten. Een veel gehoorde boodschap op de radio was dat ‘de Tutsi’s kakkerlakken waren die uitgeroeid dienden te worden’.

In gebieden waar minder radio-bereik was of waar men niet over ging tot het uitmoorden van Tutsi’s kwamen leden van de interim-regering langs om toespraken te houden waarin ook opgeroepen werd om de Tutsi’s uit te moorden.
In het streng hiërarchische en georganiseerde Rwanda werden alle prefecten (provinciehoofden) en dorpshoofden geïnstrueerd om deel te nemen aan de genocide. Deden zij dit niet dan werden ze op staande voet ontslagen en vermoord. De meeste van de prefecten gehoorzaamden aan de Hutu-extremisten en door hun autoriteit voerden gewone burgers vaak precies uit wat hen werd opgedragen door een leidinggevende.

Op aanwijzing van deze prefecten en plaatselijke leiders verzamelden mensen zich soms met duizenden tegelijk in kerken of andere openbare plaatsen. Dit onder het mom dat ze daar bescherming zouden genieten tegen de genocideplegers. In werkelijkheid was dit echter een truc om zo de mensen in de val te lokken en vervolgens te vermoorden. Bij gebrek aan vuurwapens werden daarbij vaak kapmessen ofwel machetes gebruikt. Ook het in brand steken van gebouwen, met daarin mensen opgesloten, was een veelgebruikte methode.

Buitenlands hulp tijdens de genocide

Direct nadat de genocide van start ging werd premier Uwilingiyimana beschermd door 15 VN soldaten. Dit bleek echter tevergeefs, ze werd al snel vermoord en de VN soldaten werden vastgezet. De 2548 manschappen van de UNAMIR waren, op basis van een adviesrapport, in de maanden voor de genocide al uitgedund tot 1428 manschappen. De bevelhebber, de Canadese majoor-generaal Dallaire rapporteerde in die tijd ook al dat er door de Rwandese regering geheime wapenvoorraden aangelegd werden, maar zijn macht reikte niet ver genoeg om hier iets aan te veranderen en ook verzoeken aan de VN om hier iets aan te doen werden niet gehonoreerd.

Ook andere verzoeken van Dallaire om meer mandaat te krijgen werden afgewezen door de VN. Zo kwam het dat de UNAMIR alleen wapens mochten gebruiken als zij zelf onder vuur werden genomen. Ten tijde van de genocide riep België al snel een groot deel van zijn soldaten terug volgden eind april ’94 ook veel van de andere blauwhelmen. Dit zorgde ervoor dat er nog zo’n 270 VN-soldaten overbleven.  De UNAMIR was dan ook alleen in staat om buitenlanders te helpen evacueren uit Rwanda en keek wel uit zich te mengen in het gevecht tussen Hutu’s en Tutsi’s.

Het einde van de genocide en de rol van Frankrijk

Hulp kwam uiteindelijk wel vanuit een jarenlange bondgenoot van president Habyarimana, namelijk de Franse president Mitterrand. Frankrijk was in de jaren daarvoor een belangrijke leverancier van wapens geweest voor Rwanda. Diezelfde wapens werden nu ook gebruikt tijdens de genocide en ook nadat de genocide was gestart zou Frankrijk nog wapens geleverd hebben aan Rwanda.

Feit is echter dat de Franse president Mitterrand in juni 1994 toestemming vroeg aan de VN om een interventiemacht te sturen naar Rwanda om daar een ‘safety zone’ te creëren. Op 21 juni 1994 voldeed de VN-veiligheidsraad aan dit verzoek en de Fransen stuurden daarop zo’n 2500 manschappen en vele tanks en gevechtsvliegtuigen en helikopters naar Rwanda. De Fransen vielen het land binnen in Zuidwest-Rwanda en bezette een groot deel van dit gebied en verklaarde het tot humanitaire zone. De operatie staat bekend als “Opération Turquoise” en het viel eigenlijk samen met de opmars van de RPF onder leiding van Paul Kagame. Op 18 juli 1994 was de genocide officieel ten einde. Op die dag wist de RPF op te stomen richting Kigali en daar de macht over te nemen en de interim regering, het leger en de milities te verdrijven. Zij vluchtten daarop massaal, o.a via de safety zone, naar Zaïre. Frankrijk beweerde geen mandaat te hebben om de Hutu extremisten op te pakken en volgens de verhalen wisten veel van de extremisten ook hun wapens mee te smokkelen naar Zaïre. Hoewel de genocide ten einde was waren er in de diverse vluchtelingenkampen ook nog diverse conflicten. Het feit dat veel vluchtelingen wapens wisten mee te nemen naar Zaïre zou ook het fundament geweest zijn voor de oorlog die 2 jaar later plaats vond in Oost-Congo.

Over de motieven van Frankrijk voor de interventie wordt nog altijd gespeculeerd. Het zou niet alleen vanuit humanitair oogpunt zijn, maar ook vooral om te laten zijn hoe invloedrijk het Franse leger was. Sceptici zetten ook vraagtekens bij het humanitaire motief vanwege het feit dat Frankrijk in de beginperiode van de genocide geen actie ondernam, maar pas nadat de genocide al ruim 2 maand bezig was. Weer een ander argument is dat Frankrijk vooral actie ondernam vanwege politieke druk om iets te ondernemen tegen de gruwelheden die plaats vonden in Rwanda en dat dit dus niet gebeurde vanuit humanitaire redenen.

In de jaren na de genocide zijn nog diverse onderzoeken geweest naar de rol van Frankrijk voorafgaand aan en tijdens de genocide. Het Franse onderzoek beweerde dat Frankrijk politiek verkeerde keuzes had gemaakt door Habyarimana te steunen, maar dat zij niet medeplichtig waren aan de volkerenmoord. Het Rwandese onderzoek (in opdracht van de Tutsi-regering van Paul Kagame) toonde echter aan dat Frankrijk de Hutu’s steunde, ook nog tijdens de genocide. Bovendien zou het Franse leger, voorafgaand aan de genocide, militaire training hebben gegeven aan Hutu’s.

Na de genocide

Toen de genocide eenmaal op zijn einde liep waren de gevolgen van de genocide niet te overzien. Er bleef een land achter wat totaal in puin lag en zo goed als bankroet was. Veel van de bewoners besloten alsnog te vluchten naar buurland Zaïre. Dit waren voornamelijk Hutu’s, waaronder veel genocideplegers. Ze kwamen terecht in overvolle vluchtelingenkampen in Oost-Zaïre. Het bleek echter dat er onvoldoende voedsel was om iedereen te onderhouden en ook braken er ziektes uit door de slechte hygiëne.

De beelden van deze erbarmelijke omstandigheden in de vluchtelingenkampen gingen de hele wereld over en onder druk van deze televisiebeelden ging veel van de hulp aan Rwanda niet naar Rwanda zelf, maar in eerste instantie naar de vluchtelingenkampen. In plaats van de slachtoffers van de genocide profiteerden dus juist de veroorzakers ervan van de hulp. Het kwam de VN op een nieuw schandaal te staan, zeker omdat bleek dat veel bewapende vluchtelingen de noodpakketten onderschepten en verkochten buiten de vluchtelingenkampen. Het zorgde ervoor dat de VN zijn hulp al snel staakte. Door uitputting, voedsel- en watergebrek en ziektes zoals cholera kwamen in de vluchtelingenkampen uiteindelijk circa 80.000 mensen om het leven.

Hoeveel doden er totaal zijn gevallen is nooit exact duidelijk geworden, maar de meeste schattingen gaan uit van ongeveer 800.000 mensen die in een tijdsbestek van 100 dagen om het leven zijn gekomen. Ongeveer driekwart van de totale Tutsi bevolking liet het leven in Rwanda in de periode tussen 6 april en half juli 1994.

In Rwanda zelf was na de genocide de RPF aan de macht en zij zorgden er op hun beurt voor dat Hutu’s niet langer veilig waren in Rwanda. In de maand juli 1994 vluchtten circa 2 miljoen Hutu’s vanuit Rwanda naar buurland Zaïre en kwamen honderdduizenden Tutsi’s vanuit buurlanden terug naar Rwanda. Hoewel Paul Kagame toen al de sterke man achter de RPF was, werd hij niet meteen president van Rwanda. Hij stelde zichzelf aan als vice-president en liet de gematigde Hutu Pasteur Bizimungu benoemen tot president. Dit zou tot het jaar 2000 duren, waarna Bizimungu afgezet werd en Kagame het presidentschap overnam.

Om de daders van de genocide te berechten werd er een VN tribunaal opgericht waarin voornamelijk de hooggeplaatste daders van de genocide berecht werden. In Rwanda zelf werden zogeheten gacaca’s gehouden. Dit waren de traditionele rechtbanken in Rwanda, gehouden in het gras op de dorpspleinen. Hoewel er twijfels zijn of deze gacaca-processen altijd eerlijk verliepen, zijn in totaal zo’n 100.000 Hutu’s gevangen gezet n.a.v. hun daden tijdens de genocide.

Huidige situatie

Nu, jaren later, is Rwanda nog altijd een land in opbouw, maar toch heeft het zich wonderbaarlijk snel herstelt van de crises waarin het in 1994 verkeerde. Economisch gezien is het land al jarenlang één van de snelst groeiende economieën van Afrika. Op sociaal gebied zet het land ook stappen. Het onderscheid Hutu of Tutsi bestaat op papier niet meer en er zijn diverse programma’s waarbij de bevolkingsgroepen opnieuw leren om met elkaar samen te leven. Dit artikel in het NRC geeft een mooi beeld van de resultaten die daarbij geboekt zijn.

Hoewel dit op papier mooi klinkt, zijn er toch nog twijfels. Zo lijkt er in de praktijk nog altijd een onderscheid gemaakt te worden tussen Hutu’s en Tutsi’s. Zo zijn er betere kansen voor Tutsi’s in het bedrijfsleven en op scholen. Er wordt bijvoorbeeld vooral geïnvesteerd in IT-onderwijs, terwijl het overgrote deel van de Hutu bevolking werkzaam is op het platteland. Zij leven hier nog altijd onder de armoedegrens.

Daarnaast zijn er twijfels over de democratische ruimte die er nog is in Rwanda. President Kagame heeft onlangs een referendum laten houden onder de bevolking om het maximum van 2 ambtstermijnen af te schaffen. Dit maakt het voor hem mogelijk om nog tot 2034 president te blijven. Het feit dat dit referendum bijna unaniem uitviel in het voordeel van Kagame zou kunnen betekenen dat hij het land in een ijzeren greep heeft. Zo zijn er weinig onafhankelijke media en is er slechts 1 oppositie partij die weinig ruimte krijgt om zijn mening te laten gelden. De gemiddelde burger krijgt in Rwanda dus alleen te horen wat Kagame wil dat hij of zij te horen krijgt. Dit soort dingen maakt dat er, ook in het nieuwe Rwanda, nog altijd veel zaken te verbeteren vallen.